Onderdstaand de antwoorden op vragen die tijdens het Nationaal Congres Contractvervoer niet behandeld konden worden.

Leidt standaardisatie van de kwaliteit niet tot een beperking van het onderscheidend vermogen op dit thema met als gevolg een nog grotere focus op de prijs?

Saida Akaaboune, Aanbestedingsinstituut Mobiliteit: “Essentiële basiskwaliteit dient wel gebonden te zijn aan uniforme standaarden voor een gelijk speelveld. Nu worden wel kwaliteitseisen gesteld, maar deze worden niet gekoppeld aan een uniforme meetlat waarmee men kan aantonen aan die kwaliteiten te voldoen om zo papieren kwaliteit tegen te gaan. Aanbieders kunnen zich bij uniforme standaarden nog steeds voldoende onderscheiden op extra diensten en services. Te denken valt aan goed werkgeverschap, duurzaamheid, flexibiliteit, klanttevredenheid en extra services en diensten. Hiervoor moet de aanbesteding wel ruimte bieden.”

Hoe bezien jullie de ‘trend’ die er bij gemeenten is om vervoersystemen gebaseerd op de inzet van vrijwilligers te zien als voorliggende voorziening?

Ronald Derks en Wytze Schouten, Forseti: “We vinden dat vrijwilligersvervoer meerwaarde biedt voor meer dan alleen de ritten die “niet goed in het gecontracteerde vervoer passen”. De gedachte van de wmo is dat mensen zichzelf helpen, anders elkaar helpen en als laatste bij de overheid aankloppen. Stap 2 (elkaar helpen) is vrijwilligersvervoer.

In onze ogen mag je het  dus als voorliggend beschouwen, als aan een aantal heldere voorwaarden is voldaan:

Er is al jaren druk op de zorgbudgetten. Wanneer zeg je: het is genoeg, we kunnen de opdracht niet meer uitvoeren? De rek is er al jaren uit, vervoer is niet de sluitpost in een begroting maar is onderdeel van de zorgketen.

Irma Bijman, Triade Vitree: “Vanuit de indicatie of beschikking heb je als zorginstelling een zorgplicht. Je kunt dus niet zo maar zeggen of besluiten dat de opdracht niet uitgevoerd gaat worden. Wat wel al jaren wordt gedaan, is aandacht vragen voor dit niet kostendekkende dossier in onze sector. Maar vooral ook samen met de cliënt /netwerk kijken naar wat je echt nodig hebt. Dus: aansluiten bij de ondersteuningsvraag en de mogelijkheden. Het kostenonderzoek WLz heeft in ieder geval wel iets opgeleverd. Mede daardoor zijn de tarieven verhoogd. Nu nog het sociaal domein. Stap voor stap kom je samen verder.”

Verwacht je dat er een einde komt aan de verplichting om Europees aan te besteden?

Saida Akaaboune, Aanbestedingsinstituut Mobiliteit: “Nee. Europees aanbesteden is een verplicht inkoopproces dat sterk verankerd is in Europese regelgeving. Voor afschaffing is overeenstemming binnen de Europese Unie nodig. Europees aanbesteden dient (mits goed uitgevoerd) ook een aantal belangrijke kernwaarden, zoals transparantie, non-discriminatie en concurrentiebevordering). In die concurrentiebevordering is men de laatste jaren wel doorgeschoten. Zo komen in het zorgvervoer nog steeds aanbestedingen voor die gunning op laagste prijs  hanteren, of open house-procedures met weinig of tot géén selecties op kwaliteit. Die mogen in mijn ogen best afgeschaft of verboden worden.”

Als reactie op de eerste vraag aan Forseti: wat als je andersom de rit verlegt van OV naar doelgroepenvervoer?

Ronald Derks en Wytze Schouten, Forseti: “Wij zien mogelijkheden twee kanten op. Enerzijds moeten toegankelijke OV-voorzieningen worden benut en waar nodig beter toegankelijk worden gemaakt. Anderzijds kan het doelgroepen- of taxivervoer nog beter benut worden in de meer fijnmazige vervoersnetwerken. Het draait ook hierbij om elkaar vinden, verbinding maken en samenwerking. Uiteindelijk zien we het liefst een mobiliteitsysteem ontstaan waar – voor de reiziger – geen onderscheid is tussen OV en doelgroepenvervoer, maar dat er hooguit verschillende verschijningsvormen en productformules zijn die passen op de omvang van de vraag, specifieke kenmerken en behoeften van reizigers (mobiel en mindermobiel).