Het Haagse college van burgemeester en wethouders wil de regels voor de taximarkt aanscherpen. Volgens het college ontstaat een steeds groter verschil tussen straattaxi’s, waarvoor de gemeente strenge regels kan stellen, en taxichauffeurs die uitsluitend via platforms als Uber en Bolt rijden. Dat leidt volgens het stadsbestuur tot een ‘structureel ongelijk speelveld’.
Deze week stuurde wethouder Mobiliteit Arjen Kapteijns namens het college de ‘Jaarlijkse brief over de stand van de Haagse taximarkt’ naar de gemeenteraad. Uit de brief blijkt dat de vraag naar straattaxi’s afneemt. Steeds meer taxiritten worden vooraf geboekt, onder meer via platformaanbieders zoals Uber en Bolt.
Dit leidt tot veranderingen in het gebruik van de opstapmarkt en beïnvloedt de dagelijkse praktijk op taxistandplaatsen in de stad. Deze ontwikkeling wordt versterkt door het fundamentele verschil in regelgeving tussen de opstapmarkt en de bestelmarkt, schrijft de wethouder. Een passage uit de brief: “Voor de opstapmarkt beschikt de gemeente over expliciete wettelijke bevoegdheden om te reguleren en toezicht te houden op kwaliteit, gedrag en naleving. Chauffeurs die actief zijn op de opstapmarkt moeten voldoen aan aanvullende lokale regelgeving, zoals het TTO‑stelsel en bijbehorende vergunningsvoorwaarden, die de gemeente ook kan handhaven. Voor de bestelmarkt geldt dat gemeenten deze bevoegdheden niet hebben. Taxivervoer dat wordt aangeboden via de bestelmarkt – waaronder ritten die vooraf worden geboekt via platforms – valt volledig buiten de mogelijkheden van gemeenten om lokaal te reguleren of kwaliteit te bewaken. Gemeenten kunnen daarbij geen aanvullende eisen stellen en geen toezicht houden vergelijkbaar met de opstapmarkt. Dit betekent dat voor een groot en groeiend deel van de taximarkt geen gemeentelijke sturing mogelijk is, terwijl de effecten daarvan wel zichtbaar zijn in de openbare ruimte en op de straattaximarkt.”
Strenge lokale regels
Hierdoor ontstaat een structureel ongelijk speelveld, waarbij chauffeurs op de opstapmarkt aan strenge lokale regels zijn gebonden, terwijl chauffeurs die actief zijn op de bestelmarkt buiten het bereik van de gemeentelijke bevoegdheden vallen, concludeert Kapteijns.
Het college benadrukt dat veel knelpunten alleen kunnen worden opgelost via aanpassing van landelijke wetgeving. “In de praktijk ervaren wij dat de huidige landelijke regelgeving onvoldoende aansluit bij de realiteit van de stedelijke taximarkt en de verschuiving richting platformgestuurd vervoer”, schrijft Kapteijns. “De mogelijkheden voor gemeenten om te sturen op kwaliteit, eerlijkheid en veiligheid blijven hierdoor beperkt, terwijl de effecten zich juist nadrukkelijk in de grote steden manifesteren. Den Haag blijft zich daarom, samen met Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, nadrukkelijk en gezamenlijk richting het Rijk inzetten voor een modernisering van het landelijke kader. Doel hiervan is om gemeenten daadwerkelijk de instrumenten te bieden die nodig zijn om de taximarkt in de grote steden beheersbaar, eerlijk en veilig te houden en een gelijk speelveld te creëren tussen verschillende vormen van taxivervoer.”
Auteur: Peter Runhaar

